De Onzichtbare Hand

De Onzichtbare Hand

“Die ideologie van ‘er is  geen ideologie meer,’ dat is eigenlijk de laatst overgebleven ideologie. Maar het is dus wél een ideologie. De idee dat er geen alternatief is voor de mondiale economie waarin we nu zitten, is extreem ideologisch. Die ideologie bestaat nu een paar decennia, maar hij zal er echt niet altijd blijven en is er ook lang niet altijd geweest.” (socioloog Willem Schinkel in een interview in de Volkskrant, 2 juni 2012)

1.
Toen Diego Maradonna in de halve finale van het wereldkampioenschap voetbal van 1986 (in Mexico, tegen Engeland) met zijn hand de 1-0 scoorde, verklaarde hij na afloop dat dit “de hand van God” was. Daarmee bedoelde hij niet dat hij God was (denk ik), maar dat hij niet meer had gedaan dan de voorzienigheid een handje helpen. Engeland had vier jaar eerder Argentinië vernederd in de Falkland-oorlog en had dus nog wat tegoed. Bovendien: hij was verreweg de beste voetballer van dat moment; Maradonna en Argentinië hoorden gewoon in de finale en Engeland niet. En waarschijnlijk speelde ook wel mee dat Maradonna, opgegroeid in de sloppen van Villa Fiorito, beschikte over wat we een ‘winnaarsmentaliteit’ noemen. Je doet alles wat nodig is om te winnen. Het handhaven van de spelregels is de taak van de scheidsrechter, de voetbalbond en de dopingcontroleurs. In 2006 gaf Maradonna voor het eerst toe dat niet God, maar toch wel degelijk Diego Armando Maradonna hands had gemaakt. Spijt heeft hij nooit betuigd.

Toen Lloyd Blankfein, de CEO van Goldman Sachs, in 2009 in een interview met de Sunday Times de mega-bonussen bij de banken (die een wereldwijde crisis hadden veroorzaakt en gered waren met tientallen miljarden belastinggeld) verdedigde met de woorden: “We do God’s work,” bedoelde hij dat ook niet letterlijk. Neem ik aan. Maar de achterliggende gedachten verschilden niet zo veel van die van Maradonna. “Ik doe wat noodzakelijk en rechtvaardig is. Het opstellen en handhaven van de spelregels is de taak van anderen.”

Ik vermoed dat de bankier nog een tikje extremer is dan de voetballer. Maradonna zal nog wel willen toegeven dat spelregels en scheidsrechters noodzakelijk zijn om voetbal te kunnen spelen. De bankier ziet de regelgevers, de toezichthouders en de compliance officers vooral als minkukels die er niets van begrijpen, die hen het werken onmogelijk proberen te maken, die de marktwerking belemmeren en die zo de economie schade toebrengen.

Kevin Dutton noemt bankiers (samen met Amerikaanse presidenten chirurgen, seriemoordenaars en special forces) in het rijtje ‘beroepen’ waar nogal wat psychopaten voorkomen. Psychopaten hebben onder meer als kenmerk dat ze vinden dat ze boven de wet staan. De wet is voor gewone mensen, niet voor hen. Niet voor niets liet Tom Wolfe zijn karakter in The Bonfire of the Vanities, de effectenhandelaar Sherman McCoy, zichzelf omschrijven als Master of the Universe. Natuurlijk, Sherman McCoy dateert uit de jaren tachtig van de vorige eeuw, evenals Gordon Gekko (“Greed is good”), en beiden zijn bovendien fictieve karakters. Maar de uitspraken van Blankfein en de emails van de Rabo-bankiers die de LIBOR manipuleerden, zijn van recente datum en ademen precies dezelfde sfeer. Ik weet niet of alle bankiers en beurshandelaren psychopaten zijn. Ik denk wel dat ze echt geloven dat zij ‘het goede ding’ doen, ook al overtreden ze regels en wetten. Want wat ze doen is uiteindelijk niets anders dan de rol spelen die ze horen te spelen in de kapitalistische economie, en dat is sinds 1989, de val van de Muur, de enige overgebleven ideologie. Hebzucht is goed, je moet doen wat nodig is om te scoren, en de markt zorgt ervoor dat we daar allemaal beter van worden. De onzichtbare hand van Adam Smith. De hand van God.

2.
Om nog even terug te komen op de beroemde speech die Michael Douglas geeft in zijn rol als Gordon Gekko: opvallend is dat Gekko verder gaat dan het economische domein: greed, hebzucht, is volgens hem ook de motor van de evolutie en van de vooruitgang van de mensheid. Gekko doet daarmee iets dat zeer populair is onder liberale politici en zakenlieden, namelijk het door elkaar haspelen van twee van de meest invloedrijke en ook meest misbruikte theorieën in de moderne geschiedenis: de evolutietheorie van Charles Darwin en de klassieke liberale economische theorie van Adam Smith. Beide theorieën hebben met elkaar gemeen dat ze een verklaring geven van de wereld waarin we leven zonder dat daar een almachtige bestuurder of een andere hogere macht voor nodig is. Beide theorieën zijn ook vooral bekend in een extreem korte samenvatting, een heel sterk beeld. Darwins theorie van genetische variatie en natuurlijke selectie werd ‘survival of the fittest’. En Smith’s algemene evenwichtstheorie onder volledige mededinging werd ‘the invisible hand’.

De fout die Gordon Gekko maakt, en hij niet alleen helaas, is dat hij causaliteit achteraf (‘hoe zijn we hier gekomen’), interpreteert als niet alleen onvermijdelijk (‘natuurlijk’), maar ook ‘goed’ en ‘juist’.  Zoals het is, is het goed, want het is de uitkomst van evolutie c.q. marktwerking. Wat de evolutie betreft is dat een nogal ‘lege’ constatering. Biologen van recenter datum dan Darwin laten niet na te benadrukken dat evolutie geen doel en geen richting heeft en bovendien chaotisch van karakter is. Simpel gesteld: als je de oerknal duizend keer zou kunnen herhalen, krijg je duizend keer een hele andere uitkomst. De beste term om de status quo te beschrijven is niet ‘de natuurlijke orde’ maar ‘toeval’.

In de economie is iets soortgelijks aan de hand. De bankdirecteur die duizend keer zo veel verdient als de baliemedewerker, de westerse toerist die in Istanbul of Cairo een tachtigjarig mannetje zijn schoenen laat poetsen, de Amerikaanse arts die een onverzekerde patiënt wegstuurt: slechts zeer weinigen van hen denken: “Ik heb geluk gehad. Het had net zo goed andersom kunnen zijn.” De meesten zullen toch, meer of minder expliciet, hun positie en die van de ander toeschrijven aan marktwerking en gemaakte keuzes. De uitkomst van een natuurlijk proces en daarmee niet alleen onvermijdelijk, maar ook rechtvaardig. En als het wat meer macro wordt, is de legitimerende rol van ‘de markt’ nog duidelijker. Junkfood, milieuvervuiling, bonussen, files, prostitutie, voetballers die voor € 100 miljoen van club veranderen – je kunt er wel tegen zijn, maar dat is nu eenmaal wat de mensen willen. Marktwerking. Iedereen die er iets aan wil bijsturen is een socialist, een betuttelaar en een hippie. Wat we hebben is de uitkomst van ‘the survival of the fittest’ en ‘the invisible hand’; wie daar tegenin gaat frustreert de economie en dat levert uiteindelijk voor ons allemaal minder welvaart op.

3.
Adam Smith schreef in de tweede helft van de 18de eeuw; de Wealth of Nations werd in 1776 gepubliceerd, het jaar van de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring. Het waren de laatste jaren van de Verlichting: Voltaire stierf in 1778, Diderot in 1784. De mensheid had net ongeveer afgerekend met het idee van een natuurlijke orde, een door God gegeven ordening waarin koning, adel en kerk een belangrijke rol spelen en totale chaos het enige alternatief is. De theorie die beschreef hoe, als iedereen zijn eigen belang nastreeft, de maatschappij als geheel níet in een chaos ontaardt, maar juist zichzelf ordent en welvaart bereikt, kwam als geroepen.

Echt populair werd Smith echter pas halverwege de negentiende eeuw, ongeveer toen Darwins boek uitkwam. De economisch historicus Karl Polanyi wijst erop dat de wereld er toen radicaal anders uitzag dan de wereld waarin Smith zijn boek schreef. Niet alleen had de Industriële Revolutie inmiddels plaatsgevonden, maar ook hadden achtereenvolgens de Franse Revolutie, de Napoleontische oorlogen en de Restauratie in Europa de moderne, constitutionele natie-staten opgeleverd. Smith schreef de Wealth of Nations in een wereld die betrekkelijk kleinschalig was en waar de economie verweven was met de rest van de samenleving. De concurrerende ondernemers van Smith zijn mkb’ers die elkaar en elkaars klanten kennen. De concurrerende bedrijven van honderd jaar later zijn multinationals, die in nauwe samenwerking met de politieke elite opereren. Douglas Rushkoff zou dit later in zijn boek Life Inc chartered corporations noemen; bedrijven die onder bescherming van de overheid de ‘markt’ konden domineren. In Nederland was de koning (Willem I) hoogstpersoonlijk oprichter van en aandeelhouder in een aantal grote bedrijven.

Vanaf toen is “de vrije markt” veel meer een theoretisch concept dan een beschrijving van de werkelijkheid. Grote delen van de economie worden helemaal niet door een “invisible hand” bestuurd, maar door een heel beperkt aantal bedrijven in nauwe samenspraak met het politieke bestuur: de financiële markt, de energiemarkt, de woningmarkt, de massamedia. En dat is niet eens per se slecht. Japan en Korea zouden er economisch gezien een stuk slechter voorstaan als ze hun industrialisatie aan “de vrije markt” hadden overgelaten in plaats van een actieve industriepolitiek te voeren. Silicon Valley zou niet hebben bestaan zonder de Amerikaanse defensie-industrie, waar de overheid een stevige vinger in de pap heeft. Een sector als lucht- en ruimtevaart zou niet hebben bestaan als overheden over de hele wereld zich er niet tegenaan hadden bemoeid. Het is een beetje raar om te denken dat alleen “de markt” iets tot stand kan brengen; de bewijzen van het tegendeel liggen voor het oprapen. En er zijn ook genoeg bewijzen dat ongebreidelde marktwerking tot ongewenste resultaten leidt: overal waar schaalvoordelen een rol spelen zorgt marktwerking ervoor dat de groten steeds groter worden en de concurrentie verdwijnt. Mededingingsbeleid, regelgeving en toezichthouders en accountants en toezichthouders op de accountants zijn hard nodig om nog iets van marktwerking over te houden. Zonder regelgeving hadden we waarschijnlijk niet meer marktwerking, maar juist een OmniCorp gehad.

4.
Het vrije marktdenken vertoont alle kenmerken van een ideologie, een geloof. Het gaat niet over de werkelijkheid, maar over een ideaal. Het maakt daarbij niet uit hoeveel bewijzen er zijn dat ‘laissez faire’ geen maatschappelijk optimale uitkomsten oplevert. Het maakt ook niet uit dat allerlei uitgangspunten van de theorie inmiddels onjuist zijn gebleken en zelfs niet dat elke econoom je kan vertellen dat schaalvoordelen, asymmetrische informatie, transactiekosten en externe effecten er in de praktijk voor zorgen dat marktwerking ongewenste resultaten oplevert. De gelovigen blijven voor elk probleem dezelfde oplossing aandragen: meer marktwerking. Heb toch vertrouwen in de Onzichtbare Hand!

De andere kant, of liever gezegd het logische complement, van het geloof in marktwerking is het wantrouwen en het dedain tegenover de overheid en alles wat daarmee te maken heeft. Minder overheid is beter. Minder regels is beter. Wat je aan de markt kunt overlaten, moet je aan de markt overlaten. Dat is natuurlijk een raar standpunt. Een goed functionerende democratische overheid is veel bepalender voor welvaart en welzijn in een land dan een goed functionerende markteconomie. Sinds de val van de muur is vrijwel de hele wereld een markteconomie. De landen waar het goed toeven is, kenmerken zich door een goed functionerende en democratisch gelegitimeerde overheid, en dat is nog lang niet de hele wereld. In het lijstje van landen met gelukkige inwoners dat de OECD jaarlijks maakt verschuiven de onderlinge posities soms een beetje, maar de kopgroep is al heel lang hetzelfde: de Benelux, Frankrijk, Duitsland, de Scandinavische landen, Oostenrijk en Zwitserland, Canada, Australië, Nieuw-Zeeland, de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk en Ierland. Dat is de selecte kopgroep die een behoorlijk grote voorsprong heeft op de rest van de wereld. Allemaal landen met niet alleen een sterke marktsector, maar ook een sterke, niet-corrupte, behoorlijk efficiënte en goed gelegitimeerde overheid.

Het lijkt me niet per se een goed idee om die overheden af te breken. Het lijkt me wel een goed idee om te kijken waar het beter en efficiënter kan. De overheid in Nederland is gebouwd in 1848, toen er nog geen telefoon was en je er drie dagen over deed om van Groningen naar Den Haag te komen. Het lijkt me dat je nu wel zonder de provinciale bestuurslaag en de Eerste Kamer zou moeten kunnen, bijvoorbeeld. En je zou wat meer kunnen doen met directe democratie. Maar daar gaat het nu niet over, en het is ook niet zo heel belangrijk.

Wat wel belangrijk is, is dat de overheid (politiek, bestuur, ambtenarij en collectieve sector) zichzelf weer eens serieus gaat nemen en korte metten maakt met “collega’s” die op allerlei manieren het nest bevuilen. Oelewappers die er trots op zijn dat ze geen visie hebben, of die roepen dat het ‘van cruciaal belang is dat er ambtenaren verdwijnen en het aantal rijksgebouwen inkrimpt’ of dat ‘de overheid in feite ook een bedrijf is’ (OK, dat was twee keer dezelfde oelewapper). Of die geld stelen van een daklozenstichting en dan aanbieden het van hun wachtgeld terug te betalen. Of die het normaal vinden dat je als directeur van een woningbouwverenigingetje in Winterswijk twee keer zoveel verdient als een minister. Overheidsdienaren zouden zich zo ver mogelijk moeten distantiëren van alles wat ook maar riekt naar marktretoriek en graaigedrag. Want als je de mores van de gelovigen over gaat nemen, dan is het einde nabij.

5.
Wat begon als een theorie, een poging om de werkelijkheid te beschrijven en te begrijpen, is verworden tot een ideologie, een geloof. Een theorie kan worden gefalsificeerd of aangepast. Een geloof niet. Een geloof is normatief: gij zult. Een geloof doet uitspraken over wat goed is en wat slecht. Werken voor geld is goed, thuis blijven voor de kinderen is slecht. Een studie voor ‘een goede baan’ is goed, studeren wat je leuk vindt is slecht. Een bedrijventerrein aanleggen is goed, een symfonieorkest subsidiëren is slecht. Wie rijk is, heeft het goed gedaan. Succes is een keuze. Meer geld verdienen is goed, minder is slecht. Zoals in elk geloof hoeft de mens zelf geen morele afwegingen te maken; hij hoeft alleen de geboden te volgen. Greed is good, en de Onzichtbare Hand zorgt voor de rest.

Maar als je een beetje harder nadenkt, dan ontdek je dat “de vrije markt” ook maar iets is wat we verzonnen hebben. We hebben het over door mensen gemaakte instituties, niet over natuurwetten. En die instituties werken aantoonbaar niet. Op belangrijke onderwerpen als het bestrijden van honger en armoede of het tegengaan van de klimaatverandering boeken we de laatste tientallen jaren weinig tot geen vooruitgang. Het is evident niet waar dat alles goed komt als iedereen zijn eigenbelang nastreeft, zoals de gelovigen beweren. De Onzichtbare Hand is niet het slechtste wat we ooit verzonnen hebben; kinderen offeren aan de zonnegod was bijvoorbeeld een veel slechter idee. Maar het blijft iets wat we verzonnen hebben, en het wordt tijd dat we iets beters verzinnen. Misschien kunnen we gedrag en systemen ontwikkelen die direct bijdragen aan welvaart en welzijn van niet alleen onszelf, maar ook onze medemens, toekomstige generaties en misschien ook nog wel het overige leven op onze planeet.

Iets beters verzinnen valt op het eerste gezicht nog niet mee. Als je aan je leveranciers niet de laagst mogelijke prijs wilt betalen, wat is dan wel een goede prijs? Als je niet probeert je winst te maximaliseren, wat is dan wel een goede winst? Als je je werknemers niet zo weinig mogelijk betaalt, hoeveel betaal je ze dan? Als je niet probeert zo veel mogelijk te verdienen aan je klant, hoe ga je dan met hem om? Maar in feite zijn dit alleen op een theoretisch niveau moeilijke vragen. In de praktijk komen de antwoorden vrij makkelijk, zodra je in gesprek bent met je klant, werknemer of leverancier. Zodra je niet opereert op een anonieme markt, maar zaken doet en een relatie onderhoudt met andere mensen. Zodra markten weer gesprekken worden. De Stichting Max Havelaar, bijvoorbeeld, heeft inmiddels 25 jaar ervaring met het betalen van ‘eerlijke prijzen’ aan boeren in ontwikkelingslanden. De operationalisering van ‘eerlijke prijzen’ is vrij simpel: de wereldmarktprijs, met een bepaald minimum, plus een toeslag, de ontwikkelingspremie. Je zou kunnen zeggen dat zowel de minimumprijs als de toeslag willekeurig zijn, maar eigenlijk gaat het daar niet om. Het gaat erom dat leverancier en afnemer een relatie aangaan om samen een aantal doelstellingen te realiseren. Daaronder zijn commerciële doelstellingen (het afzetten van bepaalde hoeveelheden producten, tegen bepaalde prijzen, op de Europese markt), maar ook sociale en milieudoelstellingen. Er zijn meer voorbeelden van organisaties die al een ruime ervaring hebben op dit gebied. Bekende voorlopers zijn het Braziliaanse Semco, het Spaanse Mondragon en in eigen land Valid Express. Ze hebben met elkaar gemeen dat ze zich niet van de markt afkeren, maar dat ze deze gebruiken om andere doelen te bereiken dan een maximale winst.

6.
Het goede nieuws is: het wordt dankzij de ICT steeds makkelijker om anonieme markten in te ruilen voor van-persoon-tot-persoon zaken doen. Dat geldt voor bedrijven die, als ze willen, weer heel persoonlijk in gesprek kunnen gaan met klanten (en andere partners) en zo veel rijkere relaties kunnen aangaan dan alleen klant-leverancier. Mijn favoriete voorbeeld is de Duitse Fidor Bank, die samen met een community van gebruikers probeert de behoeften van die community op geldgebied zo goed mogelijk in te vullen, of het nu gaat om Bitcoins en peer-2-peer leningen of om meer traditionele producten. En het geldt voor particulieren, die steeds meer mogelijkheden krijgen om in hun bestedingen meer overwegingen mee te nemen dan alleen de prijs. Je kunt steeds vaker en steeds makkelijker rechtstreeks zaken doen met een producent van keuze, in plaats van dat je een anoniem product koopt. Je kunt beleggen voor het hoogste rendement, maar je kunt ook via Kickstarter toffe innovatieve projecten steunen, of via Kiva kleine ondernemers in ontwikkelingslanden.

Het kan nog een stuk beter, als we het voor elkaar krijgen om de kracht van ondernemerschap in te zetten om de echte belangrijke vraagstukken aan te pakken. “It suddenly occurred to me that the hottest tech start-ups are solving all the problems of being twenty years old, with cash on hand, because that’s who thinks them up,” schrijft George Packer in een lang maar lezenswaardig stuk in The New Yorker. Goed punt. Ga eens iets belangrijks doen, ondernemers!

Twee kanttekeningen hierbij. In de eerste plaats: ondernemerschap moet je in dit verband niet te eng definiëren. Veel banken, universiteiten, omroepen en verzekeringsmaatschappijen zijn niet gestart door individuele ondernemers, en ook niet door de overheid, maar door ‘collectief particulier initiatief’; groepen burgers die vonden dat er iets moest gebeuren. Deze ondernemingsvorm, gesteund door moderne ICT, lijkt me uitermate geschikt om een aantal vraagstukken aan te pakken die nu tussen markt en overheid in blijven liggen. En de tweede kanttekening: ook de overheid heeft hierin wel degelijk een taak te vervullen, namelijk de taak om die belangrijke vraagstukken te benoemen en de kaders te scheppen waarin ondernemers aan de slag kunnen. Een beetje zoals bij de Deltawerken, of de VOC.

Maar goed, dan heb je dus wel een visie nodig die verder gaat dan het terugdringen van het begrotingstekort en voor de rest vertrouwen op de Onzichtbare Hand.

We horen graag jouw feedback

Wil je commentaar geven op dit essay? Dat kan hieronder in de comments, of in het document zelf.

Deel het essay met anderen

DOWNLOAD DE PDF