An die Arbeit!

An die Arbeit!

De arbeidsverhoudingen, de sociale arrangementen, de manier waarop arbeid belast en inkomen herverdeeld wordt – het zijn allemaal erfenissen uit de vorige eeuw, die goed werkten in dat overzichtelijke polderlandschap. In dit essay onderzoek ik welke bakens we zouden moeten verzetten om de uitdagingen van deze eeuw te lijf te gaan. 1. Er is iets vreemds met hoe we in de politiek en de economie tegen ‘arbeid’ aankijken. Aan de ene kant vinden we arbeid iets naars, iets vervelends, een offer dat je moet brengen om geld te verdienen, waar we dan leuke dingen mee kunnen doen. Ga maar na. We willen niet dat de marginale lastendruk te hoog wordt, want als de mensen te weinig overhouden van hun salaris dan gaan ze niet meer werken. We vinden dat iedereen die kan werken, dat ook móet doen. Desnoods ga je maar bollen pellen. Zomaar een uitkering krijgen, dat vinden we niet goed. Het meest gehoorde argument tegen een onvoorwaardelijk basisinkomen is een ideologisch argument: iedereen moet werken voor zijn geld. Wie niet werkt zal niet eten. En aan de andere kant vinden we arbeid een heel belangrijk goed, misschien wel een recht. We zeggen dat ‘arbeid boven inkomen’ gaat, wat blijkbaar betekent dat een mens beter een baan kan hebben dan een uitkering die meer geld oplevert. Volledige werkgelegenheid is een belangrijke doelstelling van het economisch beleid en werkloosheid vinden we een probleem. Arbeid is goed, volgens sommigen zelfs noodzakelijk, voor je integratie in de samenleving en je gevoel van eigenwaarde. Dus hoe zit het? Is arbeid een doel of een middel? Een recht, een plicht? Last of lust?...
Is de ‘Global Village’ een luchtspiegeling?

Is de ‘Global Village’ een luchtspiegeling?

Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog horen we het al: de wereld wordt groter, de verbindingen worden beter, de wereld wordt (weer) een dorp! Ieder decennium zwol het koor van boodschappers aan en met de komst van internet was er geen houden meer aan: landsgrenzen zouden er niet meer toe doen, je zou in contact kunnen komen met wie je maar wilde, waar ook ter wereld en alles en iedereen zou met elkaar verbonden raken. Helaas, dat is niet zo. Volgens mij om de volgende redenen: landsgrenzen en de bijbehorende zaken (zoals wetgeving, economisch verkeer etc) verdwijnen niet zomaar en staan regelmatig in de weg; we spreken nog steeds verschillende talen  en leven in verschillende culturen, al die ‘zachte’ zaken als geschiedenis, collectief geheugen, normen en waarden die maken dat je een Georgier of Cambodjaan ook met Google Translate nog niet echt begrijpt; het lijkt erop dat mensen beperkt zijn in hun capaciteit om waardevolle relaties te onderhouden, waardoor we het aanbod niet volledig kunnen gebruiken; we hebben (nog) niet geleerd hoe we het vereiste vertrouwen in een ander moeten opbouwen wanneer de traditionele gereedschappen daarvoor ontbreken. Die Global Village is er dus nog niet. Maar de wereld ziet er wel duidelijk anders uit dan halverwege vorige eeuw. Informatie reist vrijer de wereld rond; meer mensen hebben toegang tot de bronnen van die informatie dan ooit tevoren; structuren die ooit ontstonden om informatie te bundelen, beheren en distribueren staan onder druk of zijn al significant veranderd. Idem voor de structuren die ontstonden om landen te besturen en markten te beheren. Hoewel er dus schijnbaar geen belemmeringen meer (hoeven...
De Creatieve Economie

De Creatieve Economie

Ik weet niet of de economie ooit niet creatief was. Het lijkt mij dat de wereld van geld en waarde altijd al draaide op het scheppend vermogen van mensen. Maar nadenkend over wat dit dan voor vermogen is en of iedereen het kan (of zou moeten kunnen) blijkt dat het helemaal niet zo helder is allemaal. Er wordt gewerkt met een uitgeholde definitie, die ondertussen ook geladen is met uiteenlopende visies en verwachtingen. De wereld van creativiteit is niet éénduidig. Er wordt geclaimd en gevochten, gefantaseerd en gefabriceerd. Tijd om eens nader te inspecteren wat creativiteit dan eigenlijk is. Wat de economische waarde daarvan is en wat de social enterprise er mee zou moeten of kunnen. Of er dan een zuivere definitie voor te vinden is die dan als leidraad kan dienen voor het inrichten van een wereld die toekomstbestendig is en recht doet aan wat mensen nodig hebben. Ik beschouw creativiteit als scheppend vermogen, gemotiveerd door de wil van een persoon of groep mensen. Ik ontdekte toen ik over dit onderwerp nadacht dat ik er bovendien een moreel oordeel op na houd over de kwaliteit van creativiteit. Wie bedient zich ervan, wanneer is het echt? Voor je het weet dwaal je rond in begrippen als „bezieling” en „innerlijke strijd”. Heel interessant, maar ook de deur naar wéér een wereld vol betekenis en daar wil ik nu niet in verdwalen. Toen ik het onderwerp onderzocht vertelden sommige experts mij dat bijvoorbeeld mensen met een antisociale stoornis weliswaar ook creatief zijn (ze schilderen) maar dat hun onderwerpkeuze vooral technisch van aard is, feitelijk. Het schilderen van een landschap. Geen expressie...
De haperende logica van ‘groot’

De haperende logica van ‘groot’

Grote bedrijven zijn op heel veel plekken hun bestaansrecht aan het verliezen. De schaalvoordelen, die omvangrijk zijn in industriële, op fossiele energie gebaseerde productieprocessen, zijn in een kennis- en netwerkeconomie veel minder van belang. Nu er steeds meer voorbeelden zijn van succesvolle ‘kleine’ organisatievormen, komt de bewijslast steeds nadrukkelijker bij ‘groot’ te liggen. Waarom zo groot? Is dat beter voor de klanten? Voor de medewerkers? Of vooral voor de managers en de aandeelhouders? Deze vragen zijn bij uitstek ook relevant voor de sectoren waar de tucht van de markt ontbreekt: zorg en onderwijs bijvoorbeeld. Want waar in de marktsector de organisaties zich ‘vanzelf’ aanpassen aan de nieuwe realiteit, is daar in de publieke sector politieke besluitvorming voor nodig. 1. In tegenstelling tot wat de meeste mensen denken, kan het grootste deel van de wereldeconomie gekenschetst worden als een planeconomie. Jaarlijks worden de budgetten vastgesteld, en de te produceren hoeveelheden. Vaak zijn er zelfs meerjarenplannen en -begrotingen. Er is geen sprake van een onzichtbare hand die vraag en aanbod met elkaar in evenwicht brengt: beslissingen over de toewijzing van budgetten worden genomen in politieke besluitvormingsprocessen, al dan niet met een democratisch karakter. Ik heb het niet alleen over de collectieve sector. Daarvan zijn we ons wel bewust – al zijn we ons niet altijd bewust van de omvang (50% van de economie in de EU en ruim 40% in de VS). Ik heb het vooral ook over het grootbedrijf; de organisaties die weliswaar op een markt opereren, maar die intern precies zo werken als een ministerie. Waarom bestaan deze grootbedrijven eigenlijk? Met honderden, duizenden, soms wel honderdduizend mensen in loondienst?...