An die Arbeit!

An die Arbeit!

De arbeidsverhoudingen, de sociale arrangementen, de manier waarop arbeid belast en inkomen herverdeeld wordt – het zijn allemaal erfenissen uit de vorige eeuw, die goed werkten in dat overzichtelijke polderlandschap. In dit essay onderzoek ik welke bakens we zouden moeten verzetten om de uitdagingen van deze eeuw te lijf te gaan.

1.
Er is iets vreemds met hoe we in de politiek en de economie tegen ‘arbeid’ aankijken. Aan de ene kant vinden we arbeid iets naars, iets vervelends, een offer dat je moet brengen om geld te verdienen, waar we dan leuke dingen mee kunnen doen. Ga maar na. We willen niet dat de marginale lastendruk te hoog wordt, want als de mensen te weinig overhouden van hun salaris dan gaan ze niet meer werken. We vinden dat iedereen die kan werken, dat ook móet doen. Desnoods ga je maar bollen pellen. Zomaar een uitkering krijgen, dat vinden we niet goed. Het meest gehoorde argument tegen een onvoorwaardelijk basisinkomen is een ideologisch argument: iedereen moet werken voor zijn geld. Wie niet werkt zal niet eten. En aan de andere kant vinden we arbeid een heel belangrijk goed, misschien wel een recht. We zeggen dat ‘arbeid boven inkomen’ gaat, wat blijkbaar betekent dat een mens beter een baan kan hebben dan een uitkering die meer geld oplevert. Volledige werkgelegenheid is een belangrijke doelstelling van het economisch beleid en werkloosheid vinden we een probleem. Arbeid is goed, volgens sommigen zelfs noodzakelijk, voor je integratie in de samenleving en je gevoel van eigenwaarde.

Dus hoe zit het? Is arbeid een doel of een middel? Een recht, een plicht? Last of lust?

Het is een oude discussie, en de argumenten zijn vaak ideologisch van aard, wat bijna altijd betekent dat je er niet uitkomt. (Daarnaast verstaan mensen vaak verschillende dingen onder ‘arbeid’. De Amsterdamse socioloog Benschop noemt het zelfs een “slecht afgebakend en glibberig begrip.” Maar dit terzijde.)

Als econoom, als ondernemer en als evangelist (sinds 2005) van zelfstandig ondernemerschap ben ik vooral geïnteresseerd in de vraag waarom het krijgen, hebben en houden van een baan zo centraal staat in onze samenleving. Scholen moeten kinderen vooral klaarstomen voor ‘de arbeidsmarkt’, en normaal gesproken is werkgelegenheid (en werkloosheid, en de werking van de arbeidsmarkt) het belangrijkste onderwerp van economische politiek. Daarbij ontstaat al snel het beeld dat de optimale situatie voor een land (stad, regio, continent) eruit bestaat dat zo veel mogelijk mensen 40 uur per week in loondienst werken. En dat klopt volgens mij niet.

Stel je eens voor dat de arbeidsproductiviteit, bijvoorbeeld door de brede toepassing van kunstmatige intelligentie, robots en sensoren, verdubbelt, zodat de werkweek terug kan naar 18 uur per week, voor hetzelfde inkomen. Twee lange dagen werken, vijf dagen weekend. Zeg niet te snel dat het niet kan, want de (industriële) werkweek bedroeg ooit (zeker tot 1870) zes dagen van twaalf uur en dat hebben we ook gehalveerd. Een werkweek van 18 uur, met behoud van het huidige salaris. Zou dat erg zijn? Zou dat problemen opleveren, economisch of moreel? Het lijkt me van niet. Iedereen verdient hetzelfde als nu en heeft veel meer vrije tijd. Vrije tijd waarin velen ongetwijfeld ook weer iets productiefs zullen gaan doen, maar nu uit vrije wil en omdat ze het leuk vinden – het noodzakelijke inkomen is immers al gedekt.

Een ander scenario, met dezelfde premisse: een verdubbeling van de arbeidsproductiviteit. Maar nu blijft de werkweek standaard op 36 tot 40 uur (afhankelijk van de bedrijfstak). Omdat we het werk met de helft minder mensen kunnen opknappen, is de helft van de mensen werkloos en moeten de belastingen en premies voor de andere helft flink omhoog om al die werklozen een menswaardig bestaan te kunnen geven. Zou dat erg zijn? Ja, uitgedrukt in de indicatoren waaraan we gewend zijn, zou dat vreselijk zijn. Een enorme werkloosheid en een torenhoge collectieve lastendruk! In feite is er natuurlijk niet zo veel aan de hand. De werkenden houden netto wat meer over dan nu, en de werklozen hebben een inkomen en een heleboel vrije tijd waarin ze ook weer iets kunnen gaan doen wat leuk en productief is. Ik vind dit scenario minder aantrekkelijk dan het eerste, maar problematisch is het alleen omdat wij het problematisch vinden. Economie is psychologie. Mensen worden pessimistisch, voorzichtig, geven minder uit, gaan misschien wel emigreren. Waar je in het eerste scenario een goede kans had op positieve tweede-ronde effecten, heb je nu vooral kans op negatieve. Verdelingsvraagstukken doen er wel degelijk toe.

Maar er is natuurlijk nog een derde scenario, en dat is het scenario dat we sinds de invoering van de 40-urige werkweek al volgen. Elke stijging van de arbeidsproductiviteit wordt omgezet in een stijging van de lonen (en de winsten; op de lange termijn gaat dat ongeveer gelijk op) en niet in een verkorting van de arbeidstijd. We blijven even veel werken en gaan meer verdienen. Merk op dat dit het enige scenario waar je, volgens de gebruikelijke definities, economische groei hebt. Meer loon geldt als groei en welvaartsstijging, meer vrije tijd niet – behalve als je in die vrije tijd weer iets productiefs gaat doen.

2.
Loonarbeid is niet altijd de norm geweest, maar het is ook niet een ‘uitvinding’ van de laatste paar eeuwen. De Amsterdamse historicus Jan Lucassen wijst er in zijn afscheidscollege op dat de geschiedenis van de arbeid geen lineaire beweging is van wederkerige arbeidsverhoudingen via onvrije arbeid naar loonarbeid die verhandeld wordt op een arbeidsmarkt: “Markteconomieën zijn niet éénmaal maar meerdere keren in de geschiedenis en op verschillende plaatsen in de wereld ontstaan en in veel gevallen ook weer verdwenen.” Loonarbeid was bijvoorbeeld ook ‘normaal’ in grote delen van de Chinese geschiedenis en in Mesopotamië. De relatie tussen loonarbeid en markteconomie is overigens niet één op één. Loonarbeid komt ook buiten markteconomieën voor (met huursoldaten als bekendste voorbeeld) en in markteconomieën komen ook andere arbeidsvormen voor, met name slavernij en zelfstandige arbeid.

Maar de laatste eeuwen is er wel degelijk een trend waar te nemen. Lucassen: “Overzien wij de ontwikkeling van de arbeidsverhoudingen van de laatste vijfhonderd jaar in vogelvlucht, zoals zij blijken uit de Collaboratory Global Labour Relations 1500-2000 dan kunnen wij constateren dat op den langen duur het aandeel van de wereldbevolking in loondienst toeneemt, evenals dat van de nog niet werkenden (kinderen, scholieren en studenten) of niet meer werkenden (de ouderen). Beide toenames zijn tot stand gekomen ten koste van met name de categorieën zelfstandige arbeid, wederkerige arbeid (vooral in het huishouden) en van onvrije arbeid, waarbij ik me wel degelijk bewust ben van het bestaan van onvrije arbeid in de huidige wereld.” Dus niet alleen werd steeds meer arbeid onder de werking van de markt gebracht, maar ook werd loonarbeid steeds meer de norm.  Het aandeel mensen dat in loondienst werkte (als percentage van het aantal werkenden) groeide tussen 1850 en 1950 van 50 tot 80 procent en kroop vervolgens verder tot boven de 90 procent.

Opvallend daarbij is dat een in de geschiedenis heel gangbare arbeidsvorm, namelijk groepsgewijze onderaanneming met stukloon (in het Duits ‘Akkordarbeit’), zo’n beetje uit de geschiedenisboeken is weggezuiverd. Dit waren vaste teams, dikwijls rondtrekkende, semi-vakmensen. Je vindt het nog steeds bij steenbakkers in India. In Europa was deze vorm tot in de 19e eeuw heel normaal. Daarna is hij verdwenen, volgens Lucassen omdat zowel de kapitalisten als de socialisten niets van deze ondernemende werknemers moesten hebben.

In dezelfde honderd jaar dat het aandeel loonarbeid steeg van 50 naar 80 procent, zo ongeveer tussen 1850 en 1950, daalde de lengte van de werkweek. Ten tijde van de Eerste Internationale (1864) bedroeg deze in de industrie nog 70 tot 80 uur. Met de invoering van de vrije zaterdag (Nederland 1960, USA 1954) kwam de standaard te liggen op 40 uur – om vervolgens ruim een halve eeuw nauwelijks meer te veranderen. De gebruikelijke verklaring voor de geleidelijke verkorting van de werkweek is dat de factor arbeid beter georganiseerd raakte en een politieke stem kreeg, en zodoende een tegenmacht werd tegen het kapitaal. Daar komt volgens mij bij dat de producenten begonnen te begrijpen dat hun werknemers niet alleen redelijk moesten verdienen, maar ook tijd moesten hebben om te kunnen consumeren – anders zou er nooit een markt voor consumptieartikelen kunnen ontstaan.

Dat verklaart nog niet waarom de verkorting van de werkweek na 1960 vrijwel stopt. Is er een machtsevenwicht bereikt? Dat kan zijn. Ik denk dat ook meespeelt dat producenten er een belang bij hebben om vrije tijd relatief schaars te houden. De markt voor allerlei huishoudelijke apparaten en niet te vergeten de auto, de supermarkt en het fast food zijn er bij gebaat dat mensen niet al te veel vrije tijd hebben. Ook de diensteneconomie en paradoxaal genoeg de vrijetijdsindustrie hebben er baat bij dat vrije tijd schaars blijft. Mensen met meer geld en minder tijd boeken een vliegreis, mensen met minder geld en meer tijd gaan fietsen in Drenthe. En vanaf eind jaren zestig, als de verzorgingsstaat vorm begint te krijgen, begint ook de overheid een belang te ontwikkelen in de organisatie van de arbeid. De verzorgingsstaat wordt immers grotendeels gefinancierd door de heffing van belastingen en premies op arbeid. Economische groei is niet meer alleen een middel om de burgers meer welvaart te bezorgen, maar ook om de overheidsfinanciën beheersbaar te houden.

Als zo veel mogelijk mensen een baan hebben, en in die baan worden ze elk jaar een beetje productiever, dan groeien elk jaar de economie en de belastinginkomsten vanzelf mee. En dan kunnen ook de overheidsuitgaven, uitgedrukt in euro’s, elk jaar een beetje groeien en kunnen de politici dus leuke dingen doen voor hun achterban. De begrotingsnorm is immers een breuk, een percentage van het binnenlands product. Als de noemer, het binnenlands product, groeit, dan mag de teller, de overheidsuitgaven, even hard groeien zonder dat het percentage in gevaar komt.

3.
We mogen in Nederland best trots zijn dat we in de vorige eeuw vrij snel hebben ingezien dat  de Klassenstrijd geen productief model is en dat werkgelegenheid, economische groei, nette lonen en gezonde overheidsfinanciën in ieders belang zijn. Het ‘polderen’ is een geheel eigen vorm van ‘geleide economie’ die ruim een halve eeuw prima gewerkt heeft, en dat is nog een understatement. Onderstaande grafiek geeft een mooie samenvatting (bron):

Dus: met arbeidsrust en de handen uit de mouwen steken zijn we allemaal een factor vier en een half zo welvarend geworden als onze grootouders in 1948 en twee keer zo welvarend als onze ouders in 1972. Maar er zit een addertje onder het gras. Die mooie vlakke lijn van “arbeidsduur per inwoner” is het product van drie factoren: het aandeel potentieel werkenden in de bevolking (de leeftijdsopbouw, zeg maar), de participatiegraad (het percentage van de potentieel werkenden dat inderdaad werkt) en het aantal arbeidsuren per werknemer. In de getoonde periode is de participatiegraad gestegen en het gemiddeld aantal uren per werknemer gedaald: vrouwen hebben zich op de arbeidsmarkt begeven, maar werken vaak in deeltijd. Vanaf 1990 is bovendien de bevolkingssamenstelling aan het verslechteren. “De verhouding tussen het aantal 15-64-jarigen en 65-plussers is afgenomen van acht op één in 1950 tot vierenhalf op één in 2009, en zal naar verwachting verder afnemen tot tweeënhalf op één in 2030. Bij verder ongewijzigde omstandigheden betekent dit dat in 2030 de verhouding tussen 15-64-jarigen en de totale bevolking, en daarmee het bbp per inwoner, 10,5 procent lager zal liggen dan nu. Als de arbeidsproductiviteit echter net als in de voorgaande drie decennia jaarlijks met 1,5 procent blijft toenemen, dan zal het bbp per inwoner in 2030 niet gedaald zijn, maar gestegen met 24 procent,” aldus het CBS.

Dat is behoorlijk optimistisch van het CBS. Die productiviteitsstijging moet er eerst nog wel komen. En bovendien: verdelingsvraagstukken doen ertoe. De Nederlander in dit scenario zal in 2030 niet zozeer voelen dat hij 24% welvarender is dan in 2009, maar vooral dat hij een veel te groot deel van zijn inkomen via de belastingen overgeheveld ziet naar zijn bejaarde landgenoten. Het systeem begint nu al te kraken. ‘Zorg’ en ‘Sociale Zekerheid’ zijn nu al verreweg de grootste posten op de begroting (per stuk € 80 miljard, samen zestig procent van de overheidsuitgaven). Beide posten gaan nog stijgen door de vergrijzing. Er zijn goede redenen om aan te nemen dat de belastingtarieven niet verder verhoogd kunnen worden: de opbrengst zal dan dalen in plaats van stijgen. Dus er moeten meer mensen aan het werk en ze moeten meer uren maken, anders hebben we een groot probleem. AOW-leeftijd omhoog, 36- en 38-urige werkweken weer naar 40, aantal officiële feestdagen onder de loep. Het wachten is op de politicus die de vrije zaterdag ter discussie gaat stellen.

Tegelijkertijd is de overheid begonnen met het afstoten van taken die de burger zelf maar weer moet regelen. Kinderopvang en mantelzorg zijn het begin, maar de grenzen van de participatiesamenleving zijn nog lang niet in zicht – we zijn net begonnen!

En dat wordt een van de grote problemen van de komende jaren. Tijd. Veertig uur werken en daarnaast ook nog voor je kinderen, je oma en je buurvrouw zorgen, dat wordt te veel van het goede.

4.
De geleide economie, het poldermodel, gaat hier geen oplossing bieden. De vakbonden en de werkgeversverenigingen vertegenwoordigen een steeds kleiner deel van de economie. Bedrijven worden kleiner en tijdelijker. De grootste en relatief ook meest stabiele arbeidsorganisaties zitten in de sectoren waar het belastinggeld wordt uitgegeven, niet waar het verdiend wordt. En inmiddels hebben we ruim 750.000 zelfstandigen die geen baas en geen personeel hebben, en dus noch werkgever, noch werknemer zijn. (En die dus, net als vroeger de Akkordarbeiter, zowel door links als door rechts onder vuur worden genomen.)

En eerlijk gezegd denk ik ook dat we een hele andere kijk op arbeid en economie nodig hebben dan waartoe de polderpartners in staat zijn. Het recept van de vorige eeuw was: je zoekt een baan, je krijgt salaris, van de ene helft koop je leuke dingen en de andere helft geef je aan de overheid die daar vrijheid, veiligheid en solidariteit mee regelt. Het werk was instrumenteel. Natuurlijk zijn er veel mensen die plezier hebben in hun werk, maar als je aan mensen vraagt of ze ook blijven werken als ze de loterij winnen, dan is de uitkomst steevast: veertig procent blijft werken in dezelfde baan, dertig procent zoekt een andere baan of begint voor zichzelf en dertig procent stopt met werken (zie bijvoorbeeld hier, hier en hier). Daar is dus, uit een oogpunt van maximalisatie van welzijn, nog aardig wat winst te behalen. (En o ja, die dertig procent die zegt te willen stoppen met werken is niet per se een luilak en een uitvreter. Mensen stoppen vooral met werken om meer tijd aan het gezin te besteden, zorgtaken op zich te nemen of (weer) te gaan studeren.)

Wat nou als mensen niet worden getuned om geld te verdienen, maar om te gaan doen wat ze graag willen doen en/of wat gedaan moet worden? Hoe zou dat er uit kunnen zien?

Allereerst zullen we met z’n allen een stuk ondernemender moeten worden. Veel mensen zijn nu helemaal niet toegerust om te gaan doen wat ze graag zouden willen. Het is een stokpaardje van me dat ons onderwijs kinderen ondernemerschap en creativiteit afleert (en ze opleidt tot beleidsmedewerkers). Kinderen zijn van nature ondernemend en creatief; spelen is negen van de tien keer je eigen wereld creëren en van niets iets maken. Het is een hardnekkige mythe dat ondernemen niet te leren is. Dat is het wel. Sterker nog, het is vooral een kwestie van een aantal dingen niet afleren (zoals nieuwsgierigheid en fouten durven maken). Overigens bedoel ik niet per se dat iedereen voor zichzelf moet beginnen (al denk ik wel dat in de toekomst meer mensen in ieder geval een deel van hun leven selfemployed zullen zijn). Ik bedoel het vooral in de zin van ‘iets ondernemen’, zelf het heft in handen nemen, zelf verantwoordelijkheid nemen voor je eigen leven en voor veranderingen die je wilt zien.

In de tweede plaats zullen we na moeten denken over de verhouding tussen individu en collectief, over de solidariteit dus. De overheid dwingt nu solidariteit af via de belastingen. Dat is geaccepteerd, maar er zit een grens aan de hoogte van belastingtarieven en als de overheid het grotendeels gebruikt om arbeid in te kopen, dan is het ook een omweg. Sinds het afschaffen van de militaire dienstplicht kennen we in Nederland geen verplichte arbeid meer, maar dit – een sociale dienstplicht dus – zou wel degelijk een alternatief voor belastingheffing kunnen zijn. Het klinkt een beetje als terug naar de Middeleeuwen, toen de horigen verplicht waren om een aantal dagen per jaar het land van hun heer te bewerken, maar het is denk ik minder verstorend voor de economie dan hoge belastingtarieven. En het kan wel eens een noodzakelijke aanvulling zijn op de ‘wederkerige arbeid’, het weer wat meer voor elkaar gaan zorgen. Want het is allemaal leuk en aardig om te denken dat kinderen hun bejaarde ouders best kunnen verzorgen, maar we wonen natuurlijk allang niet meer met drie generaties op dezelfde boerderij, in hetzelfde dorp of zelfs maar in hetzelfde land. Dus dat “voor elkaar zorgen” komt dan toch weer neer op geld overmaken naar een verzorgingshuis; geld dat je eerst op de arbeidsmarkt moet zien te verdienen.

En in de derde en laatste plaats zouden we eens fundamenteel na kunnen denken over de relatie tussen arbeid en inkomen. Immers: de belofte van de verzorgingsstaat (of de welvaartsstaat, zo je wilt) blijkt niet te kloppen. Die belofte was: “Als je nu maar veertig jaar lang veertig uur per week werkt voor de baas, dan komt alles goed. Met het geld dat je daarmee verdient en de belastingen en premies die je betaalt kun je gegarandeerd een leuk leven leiden, je kinderen een opleiding geven en onbezorgd van je oude dag genieten.” Dat heeft precies één generatie lang gewerkt, namelijk voor de babyboomers. Voor de generaties daarna bleken er ook werkloosheid, burn outs en pensioengaten te bestaan. Je zou dus kunnen zeggen dat het de hoogste tijd wordt om iets slimmers te verzinnen. En bijvoorbeeld ervoor te zorgen dat arbeid weer wordt wat het bij de Grieken en de Romeinen en in de Renaissance ook was, namelijk iets waarvan je zelf vindt dat het de moeite waard is en/of dat het gedaan moet worden. (De Romeinen zagen geen principieel verschil tussen een loonarbeider en een slaaf; het begrip loonslaaf gaat terug tot Cicero.)

5.
Een elegante maar radicale manier om dit te bereiken is iedereen een onvoorwaardelijk basisinkomen te geven, bijvoorbeeld ter hoogte van het sociale minimum. Dat bedraagt nu (2013) € 661,77 per maand (inclusief vakantie-uitkering) voor mensen vanaf 21 jaar. Als we alle Nederlanders vanaf 21 jaar dat bedrag geven, kost dat € 101 miljard. Dat is veel geld, maar we zijn op de Rijksbegroting nu ook € 80 miljard kwijt aan Sociale Zekerheid, en daar komen nog wat andere posten bij (deel van de studiefinanciering, uitvoeringskosten Wet Werk en Bijstand bij gemeenten). Het ligt dicht genoeg bij elkaar om het idee van een basisinkomen niet meteen als “onbetaalbaar” terzijde te schuiven. Het liefst zou ik het overigens nog een stuk hoger leggen, laten we zeggen het dubbele, en tegelijk alle toeslagen, aftrekposten en woonsubsidies schrappen. Dat zou wel ongeveer uit moeten kunnen.

Of het betaalbaar is hangt natuurlijk vooral af van de gedragseffecten, en die zijn eigenlijk niet te voorspellen. Als iedereen zijn baan opzegt en op een zolderkamertje gedichten gaat zitten schrijven, dan lopen de belastinginkomsten nogal drastisch terug en is het verhaal snel afgelopen. De antwoorden op de “loterij-vraag” en, belangrijker, de uitkomsten van enkele Canadese experimenten met een basisinkomen wijzen er echter niet op dat dit zal gebeuren. Op de wat langere duur zullen er ook effecten op het loonpeil zijn. Mensen zullen hun tijd anders gaan waarderen. Maar of het loon omhoog gaat (“je moet me meer betalen om mijn vrije tijd op te offeren”) of juist omlaag (“ik hoef er niet zo veel voor te hebben, mijn basis is toch al gedekt”) weet niemand. En ten slotte geeft een basisinkomen ruimte om allerlei andere arrangementen op de arbeidsmarkt opnieuw te bekijken. Ontslagbescherming, doorbetaling bij ziekte, het minimumloon – alles komt in een ander licht te staan als mensen al van een inkomen verzekerd zijn.

Al met al is de invoering van een basisinkomen zo’n systeembreuk dat de uitkomsten onmogelijk te voorspellen zijn. Het is alleen daarom al te hopen dat de Zwitsers vóór zullen stemmen in het referendum dat ze hier binnenkort over gaan houden. Zwitserland is een ideaal land om hiermee te experimenteren: eigen munt, geen lid van de EU en bovenal: geen Schengen-akkoord. Eigenlijk zouden we met de rest van Europa het Zwitserse experiment moeten sponsoren. Loopt het scheef, dan drukken we op reset en vergoeden we de schade. Gaat het goed, dan voeren we het in heel Europa in.

De meest simpele manier om een basisinkomen in te voeren, met zo weinig mogelijk rondpompen van geld, is de flat rate negative income tax. Deze kent twee variabelen: het belastingvrije inkomen en het belastingtarief. Verdien je het belastingvrije inkomen, dan betaal je precies nul belasting – het woord zegt het al. Verdien je meer, dan betaal je het belastingtarief maal wat je meer verdient. En – nu komt het – verdien je minder, dan krijg je het belastingtarief maal het verschil. Op die manier heeft iedereen een basisinkomen van het tarief maal het belastingvrije inkomen, en gaat hij er altijd op vooruit als hij gaat werken. (Hier zie je een cijfervoorbeeldje.)

De grote voorvechter van een basisinkomen was overigens geen Marxist of boomknuffelaar, maar de neoklassieke en ‘rechtse’ econoom Milton Friedman. Zijn punt was: er is nu ook de facto een gegarandeerd basisinkomen, alleen is dat een samenraapsel van willekeurige, moeilijk uit te voeren en marktverstorende regeltjes. Laten we het dan gewoon goed doen. Hij schreef dit in 1987, en veel beter dan ik zou kunnen:

“Our present de facto guaranteed annual income is a mess. It is expensive and most of the money goes to people who are not by any stretch of the imagination poor. It involves a tremendous bureaucracy, wide-spread intervention into the operation of the market system in areas that have nothing to do with poverty, and inexcusable interferences with the individual freedom and dignity of the truly poor who receive assistance, let alone of the rest of us. Equally serious, it has the worst possible effect on incentives because a dollar earned and revealed is a dollar of relief lost. It tends to produce poor people, and a permanent class of poor people living on welfare, rather than to help the unavoidably indigent.

I favor the negative income tax because it would be vastly superior to our present guaranteed annual income. It would cost much less, give more help to the truly poor, avoid interference with personal freedom, preserve some incentives to work, and drastically reduce the present bureaucracy.” (bron)

6.
De arbeidsverhoudingen uit de vorige eeuw hebben ons tot hier gebracht en gaan ons niet veel verder brengen. Hoe het precies vanaf hier moet weet ik niet, maar ik denk dat ondernemerschap, een sociale dienstplicht en een onvoorwaardelijk basisinkomen er een rol in gaan spelen. De systemen waarin we leven zijn door mensen gemaakt. We kunnen ze ook anders maken. We kunnen het krijgen zoals we het hebben willen. An die Arbeit!

We horen graag jouw feedback

Wil je commentaar geven op dit essay? Dat kan hieronder in de comments, of in het document zelf.

Deel het essay met anderen

DOWNLOAD DE PDF