Waarom deze tijd eng voelt, maar het niet is

Waarom deze tijd eng voelt, maar het niet is

Mario Andretti, de Formule 1 coureur, zegt: ‘If everything seems under control, you’re not going fast enough.”, maar dat is lang niet voor iedereen een prettig idee. Deze tijd is voor vele mensen een angstige tijd. Omdat alles zo snel gaat, zonder dat ze dat zelf willen, en zonder dat ze het gevoel hebben dat ze er met hun volledige aandacht bij kunnen. Wat een kleine groep mensen spannend en opwindend vind in deze tijd, is voor een veel grotere groep mensen angstaanjagend. Angstaanjagend omdat het hun bekende en vertrouwde bestaan lijkt te bedreigen. Omdat het de manier waarop ze leerden hoe dingen gedaan werden bedreigt, overbodig maakt of achterlijk doet lijken. Angstaanjagend omdat de mensen naar wie ze kijken voor duiding en voorbeeldgedrag ook bijzonder feilbaar blijken te zijn, leugens verkopen of de mond gesnoerd krijgen door oppervlakkige populisten. Dat ze naar die mensen kijken voor duiding en voorbeeldgedrag was hoe zij het namelijk van hun ouders geleerd hebben. Maar die groeiden op in een andere tijd, met andere spelregels en mogelijkheden. Niets in hun opvoeding en ontwikkeling heeft ze leren omgaan met wat er op dit moment in onze samenleving gebeurt. Vroeger was ik bang voor de grote stoere jongens die me na school uitjouwden en me het gevoel gaven dat ze me makkelijk bont en blauw konden slaan als ze dat wilden. Ik heb ook wel eens een klap gekregen wanneer ik een te grote mond had naar hun zin. Maar de echte angst kwam pas later, toen ik eens een auto van een vriend met een domme zwaai aan het stuur total loss gereden had....
An die Arbeit!

An die Arbeit!

De arbeidsverhoudingen, de sociale arrangementen, de manier waarop arbeid belast en inkomen herverdeeld wordt – het zijn allemaal erfenissen uit de vorige eeuw, die goed werkten in dat overzichtelijke polderlandschap. In dit essay onderzoek ik welke bakens we zouden moeten verzetten om de uitdagingen van deze eeuw te lijf te gaan. 1. Er is iets vreemds met hoe we in de politiek en de economie tegen ‘arbeid’ aankijken. Aan de ene kant vinden we arbeid iets naars, iets vervelends, een offer dat je moet brengen om geld te verdienen, waar we dan leuke dingen mee kunnen doen. Ga maar na. We willen niet dat de marginale lastendruk te hoog wordt, want als de mensen te weinig overhouden van hun salaris dan gaan ze niet meer werken. We vinden dat iedereen die kan werken, dat ook móet doen. Desnoods ga je maar bollen pellen. Zomaar een uitkering krijgen, dat vinden we niet goed. Het meest gehoorde argument tegen een onvoorwaardelijk basisinkomen is een ideologisch argument: iedereen moet werken voor zijn geld. Wie niet werkt zal niet eten. En aan de andere kant vinden we arbeid een heel belangrijk goed, misschien wel een recht. We zeggen dat ‘arbeid boven inkomen’ gaat, wat blijkbaar betekent dat een mens beter een baan kan hebben dan een uitkering die meer geld oplevert. Volledige werkgelegenheid is een belangrijke doelstelling van het economisch beleid en werkloosheid vinden we een probleem. Arbeid is goed, volgens sommigen zelfs noodzakelijk, voor je integratie in de samenleving en je gevoel van eigenwaarde. Dus hoe zit het? Is arbeid een doel of een middel? Een recht, een plicht? Last of lust?...
Is de ‘Global Village’ een luchtspiegeling?

Is de ‘Global Village’ een luchtspiegeling?

Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog horen we het al: de wereld wordt groter, de verbindingen worden beter, de wereld wordt (weer) een dorp! Ieder decennium zwol het koor van boodschappers aan en met de komst van internet was er geen houden meer aan: landsgrenzen zouden er niet meer toe doen, je zou in contact kunnen komen met wie je maar wilde, waar ook ter wereld en alles en iedereen zou met elkaar verbonden raken. Helaas, dat is niet zo. Volgens mij om de volgende redenen: landsgrenzen en de bijbehorende zaken (zoals wetgeving, economisch verkeer etc) verdwijnen niet zomaar en staan regelmatig in de weg; we spreken nog steeds verschillende talen  en leven in verschillende culturen, al die ‘zachte’ zaken als geschiedenis, collectief geheugen, normen en waarden die maken dat je een Georgier of Cambodjaan ook met Google Translate nog niet echt begrijpt; het lijkt erop dat mensen beperkt zijn in hun capaciteit om waardevolle relaties te onderhouden, waardoor we het aanbod niet volledig kunnen gebruiken; we hebben (nog) niet geleerd hoe we het vereiste vertrouwen in een ander moeten opbouwen wanneer de traditionele gereedschappen daarvoor ontbreken. Die Global Village is er dus nog niet. Maar de wereld ziet er wel duidelijk anders uit dan halverwege vorige eeuw. Informatie reist vrijer de wereld rond; meer mensen hebben toegang tot de bronnen van die informatie dan ooit tevoren; structuren die ooit ontstonden om informatie te bundelen, beheren en distribueren staan onder druk of zijn al significant veranderd. Idem voor de structuren die ontstonden om landen te besturen en markten te beheren. Hoewel er dus schijnbaar geen belemmeringen meer (hoeven...
De Creatieve Economie

De Creatieve Economie

Ik weet niet of de economie ooit niet creatief was. Het lijkt mij dat de wereld van geld en waarde altijd al draaide op het scheppend vermogen van mensen. Maar nadenkend over wat dit dan voor vermogen is en of iedereen het kan (of zou moeten kunnen) blijkt dat het helemaal niet zo helder is allemaal. Er wordt gewerkt met een uitgeholde definitie, die ondertussen ook geladen is met uiteenlopende visies en verwachtingen. De wereld van creativiteit is niet éénduidig. Er wordt geclaimd en gevochten, gefantaseerd en gefabriceerd. Tijd om eens nader te inspecteren wat creativiteit dan eigenlijk is. Wat de economische waarde daarvan is en wat de social enterprise er mee zou moeten of kunnen. Of er dan een zuivere definitie voor te vinden is die dan als leidraad kan dienen voor het inrichten van een wereld die toekomstbestendig is en recht doet aan wat mensen nodig hebben. Ik beschouw creativiteit als scheppend vermogen, gemotiveerd door de wil van een persoon of groep mensen. Ik ontdekte toen ik over dit onderwerp nadacht dat ik er bovendien een moreel oordeel op na houd over de kwaliteit van creativiteit. Wie bedient zich ervan, wanneer is het echt? Voor je het weet dwaal je rond in begrippen als „bezieling” en „innerlijke strijd”. Heel interessant, maar ook de deur naar wéér een wereld vol betekenis en daar wil ik nu niet in verdwalen. Toen ik het onderwerp onderzocht vertelden sommige experts mij dat bijvoorbeeld mensen met een antisociale stoornis weliswaar ook creatief zijn (ze schilderen) maar dat hun onderwerpkeuze vooral technisch van aard is, feitelijk. Het schilderen van een landschap. Geen expressie...