De haperende logica van ‘groot’

De haperende logica van ‘groot’

Grote bedrijven zijn op heel veel plekken hun bestaansrecht aan het verliezen. De schaalvoordelen, die omvangrijk zijn in industriële, op fossiele energie gebaseerde productieprocessen, zijn in een kennis- en netwerkeconomie veel minder van belang. Nu er steeds meer voorbeelden zijn van succesvolle ‘kleine’ organisatievormen, komt de bewijslast steeds nadrukkelijker bij ‘groot’ te liggen. Waarom zo groot? Is dat beter voor de klanten? Voor de medewerkers? Of vooral voor de managers en de aandeelhouders? Deze vragen zijn bij uitstek ook relevant voor de sectoren waar de tucht van de markt ontbreekt: zorg en onderwijs bijvoorbeeld. Want waar in de marktsector de organisaties zich ‘vanzelf’ aanpassen aan de nieuwe realiteit, is daar in de publieke sector politieke besluitvorming voor nodig. 1. In tegenstelling tot wat de meeste mensen denken, kan het grootste deel van de wereldeconomie gekenschetst worden als een planeconomie. Jaarlijks worden de budgetten vastgesteld, en de te produceren hoeveelheden. Vaak zijn er zelfs meerjarenplannen en -begrotingen. Er is geen sprake van een onzichtbare hand die vraag en aanbod met elkaar in evenwicht brengt: beslissingen over de toewijzing van budgetten worden genomen in politieke besluitvormingsprocessen, al dan niet met een democratisch karakter. Ik heb het niet alleen over de collectieve sector. Daarvan zijn we ons wel bewust – al zijn we ons niet altijd bewust van de omvang (50% van de economie in de EU en ruim 40% in de VS). Ik heb het vooral ook over het grootbedrijf; de organisaties die weliswaar op een markt opereren, maar die intern precies zo werken als een ministerie. Waarom bestaan deze grootbedrijven eigenlijk? Met honderden, duizenden, soms wel honderdduizend mensen in loondienst?...